Tekst - "De Oude Straatlantaarn" Hans Christian Andersen

sluit en begin met typen
Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo
heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een
enkele maal lezen.

't Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen
dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zo lang bekleed
had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal
zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar
te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en
weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal
zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij
wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou
komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden,
die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was
of niet.

Daar zou dan bepaald worden, of zij in 't vervolg haar licht voor de
bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de
een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien
ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een
anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles
van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de
herinnering nog van zou behouden, dat zij eenmaal een straatlantaarn
geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht aflopen,
zoveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die
haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden.

Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de
lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al
een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker
werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij
's avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik,
maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie,
de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren,
had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. 't
Waren beiden dood eerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook
maar een enkele druppel olie te kort gedaan.

't Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den
volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere
gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook
vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar
licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als
de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor
zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit
kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei
dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde
haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel,
dat men zich ook harer zou herinneren.

Daar was indertijd dat knappe jonge mensch, - het is al vele jaren
geleden, - deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was
zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het
en kuste het en keek naar mij op met ogen, die duidelijk schenen te
zeggen: Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen! Alleen hij en
ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven
stond. - Ja, ook nog een ander paar ogen herinner ik mij. Wat kunnen
onze gedachten toch snel van het ene op het andere springen! Hier in
de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw
lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt
was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen
stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich
allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht
verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand
tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die ogen,
waarin zoveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken,
vergeten! Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn,
die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde.

De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger
ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de
lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo
meningen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij
zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten,
uit welke hoek de wind gewoonlijk woei, en zoveel andere dingen meer.

Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die
zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den
waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was
een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon
geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op
den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd
hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het,
van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De
derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was,
begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het
ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles,
wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich
gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen.

De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den
post van straatlantaarn te bekleden; maar dat wilde geen van drie├źn
gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet
zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij
was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen.

Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aankruisen
en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. Wat hoor ik daar?
zei hij tegen haar. Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien
ik u hier aantreft? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik
blaas nu op zulk een wijze in uw hersenen kast, dat ge u voortaan niet
alleen alles, wat je gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren,
maar dat het zo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles,
waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.