huidige doel
(woorden per minuuttekens / min.)
0
WPM
niveau
het hoogst behaalde doel
0
WPM
statistieken van vandaag
voltooide oefeningen
0
getypte tekens getypte woorden
0
tijd van oefenen
0
15m
25m
45m
1h
algemene statistieken
voltooide oefeningen
0
getypte tekens getypte woorden
0
tijd van oefenen
0
*nauwkeurigheid ≥ 90%
accuraat
(< 90%)
woorden per minuut
(doel)

Typen oefening: "Tusschen mal en dwaas" Pieter Andriessen

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Volledige oefentekst

Typen oefening: "Tusschen mal en dwaas" Pieter Andriessen

sluit en begin met typen
't Rijtuig stond al een hele poos voor de deur. De oude Frits klapte met de zweep, als ware hij een postiljon zooals we ze met de zware reis rijtuigen wel eens door ons dorp zagen rijden, en de bruintjes stampten zo ongeduldig op den grond, als wilden zij er de steenen uithalen. Nog eens lag ik wenend in de armen van vader en moeder, kuste al mijn broertjes en zusjes en reikte den knechts en meiden, die aan de deur stonden, de hand tot afscheid; toen wierp ik mij snikkend in een hoek van 't rijtuig, den zakdoek voor de ogen houdende, en boog mij toch terstond weer uit het portier om met dien door mijn tranen bevochtigden zakdoek mijnen dierbaren nog tallooze afscheidsgroeten toe te wuiven. Voort, beestjes! riep Frits, en daar gingen we voort, het dorp door. Uit alle vensters, uit alle deuren klonken vriendelijke groeten en wenschen: want ik kende al de bewoners van die kleine boerenwoningen; ik had met allen meer of minder omgegaan gedurende de gelukkige kinderjaren, welke ik in mijn lief dorp had doorgebracht. En nu moest ik dat alles verlaten, wat mij tot hiertoe 't liefst geweest was: mijn ouderlijk huis en mijn dorp, dat voor mij 't schoonste in de heele wereld was! Was 't niet vreselijk, lieve Lezeressen? Misschien lacht gij er om, dat ik daar zo bedroefd om was. Ik hoop het niet. Ik zou u wel eens hebben willen zien, als gij in mijn geval waart geweest. Naast mij in 't rijtuig zat een vriendelijke, beschaafde vrouw van middelbare leeftijd, in wier welwillend gelaat, door grijze lokken omlijst, twee verstandige, donkere ogen stonden. Zij was het, die mij uit mijn geboortedorp was komen weghalen naar haar huis in Den Haag. Daarheen zou het jonge, onnoozele meisje met haar gaan, om onder haar hoede wat van de wereld en het leven te leeren kennen. Deze lieve dame was Tante Betsy. Ze was de zuster van mijn vader, sedert jaren weduwe, en bemind en vereerd door allen die haar kenden. De goede tante drukte zacht mijn hand, die ik in de hare legde, en sprak mij zulke vriendelijke woorden van troost toe, dat ik een weinig tot mij zelf kwam. Ik voelde mij aan haar zijde niet zo verlaten, als ik mij tot nu toe gevoeld had. Nadat we eenige uren gereden hadden, waren we in Arnhem, vanwaar de spoortrein ons naar de residentie zou brengen. Hier moest ik van de laatste herinnering aan 't ouderlijk huis afscheid nemen: van den ouden trouwen Frits met de twee wakkere bruintjes, die ik zelf zo dikwijls gemengd had, als we naar 't land reden om hooi of graan binnen te brengen. Ik droeg Frits duizenden groeten op aan al mijn kennissen in Brondaal, nogmaals streelde ik de bruintjes en onthaalde hen op wittebrood met suiker, en keek toen met tranen in de ogen nog lang de stofwolk na, die achter het wegrollende rijtuig opsteeg. Tante deed met mij een wandeling door de stad en haar schone omgeving. Ze liet me 't mooie buitengoed van baron van Heeckeren, den Hartjesberg, zien, wandelde met mij langs den Rijn, waar we de schipbrug bezichtigden en toen naar 't station, waar we wat gebruikten en een heerlijk uitzicht genoten op de buitenplaats, die we zo straks bekeken hadden, en op de wegen naar Velp en naar Apeldoorn. Hierdoor werden langzamerhand mijn gedachten afgeleid en bedaarde mijn droefheid over de scheiding van al wat mij lief en dierbaar was. En toen de bengel geluid was, en we rustig en wel in den spoortrein zaten, had ik mij met de verandering reeds verzoend. Tante was er dan ook wel de vrouw naar, om mijn opmerkzaamheid gaande te houden: van al wat wij voorbijgereden wist zij mij wat mede te deelen; daarenboven droeg het telkens afwisselende reisgezelschap er veel toe bij, om mij afleiding te bezorgen. Toch zou de reis van Arnhem naar Den Haag mij misschien wel wat lang gevallen zijn, had Tante niet, toen we te Zeist-Driebergen kwamen, haar reistas opengemaakt, waaruit zij allerlei lekkere vruchten en koekjes haalde, die mama haar stilletjes had meegegeven en waaraan ik zo geheel en al het lieve, zorgzame moederhart herkende, dat haar kind ook nog in de verte vreugde wilde bereiden. Ik was nog genoeg kind, om met deze heerlijke versnapering mijn verdriet te vergeten, en zo had die goede moeder het doel bereikt, dat zij daarmee gehad had. Eindelijk, ja, eindelijk, riep de conducteur: Den Haag! en ik was heel blij, dat we aan de plaats onzer bestemming waren. Door het groote, prachtige station heen, ging tante naar een vigilante, die ons naar haar woning zou brengen. Wat was mij dat alles vreemd, die stad met haar groote huizen, haar breede straten, ruime pleinen met boomen beplant en met standbeelden versierd. 't Was of al die huizen, welke paleizen geleken bij de woningen op ons dorp, of die kerken en standbeelden trotsch op mij, het arme dorpskind, neer zagen, of ze vroegen: Wat kom jij hier doen, dom gansje? De vigilante hield op voor een eenvoudig, net huis, gelukkig niet zoo groot als die andere, welke mij met hun aantal vensters en hun breede gevels de borst beklemden. 't Zag er van buiten vriendelijk en goed onderhouden uit: het inwendige beantwoordde daaraan volkomen. Achter 't huis lag een kleine tuin, door andere tuinen omgeven, en daarvan slechts met een houten schutting gescheiden, zoodat men, wanneer men daarin was, schier vergat dat men zich in de drukke residentie bevond. Hier zou ik dan wonen, hier in dit vreemde huis, in deze vreemde stad, waar ik niemand kende! O, hoe bonsde mij 't hart, toen ik achter Tante de deur intrad, welke een knap geklede dienstmaagd had geopend. Schroomvallig bleef ik op den drempel van de keurig gemeubileerde kamer staan, en waagde het niet, mijn goed af te doen. Maar Tante Betsy kwam vriendelijk naar mij toe, trok mij vol liefde aan haar borst, en zeide: Welkom in mijn huis, kindlief! God geve, dat gij u hier naar uw zin en gelukkig moogt voelen, en mijn liefde u het ouderlijk huis vergoede! Hoe innig geroerd nestelde ik mij aan de borst van mijn lieve tante! O, hoe alleen, hoe eenzaam zou ik mij in deze grote, vreemde stad gevoeld hebben, zonder deze trouwe, moederlijke vriendin! Maar aan haar zijde, onder haar bescherming kon ik gerust al het nieuwe en vreemdsoortige te gemoet gaan, dat mij hier wachtte. Tante liet mij haar geheele huis zien, dat voor een alleenwonende dame vrij groot en ruim was. Overal heerschte de keurigste netheid, en hoezeer ook 't geheel aangetoond, dat de bewoonster geen geld behoefde te ontzien, vond men er toch geen buitensporige weelde of geen overlading. Alles ademde denzelfden eenvoud en dezelfde degelijkheid als de bewoonster bezat. In Tante Betsy was iets, wat telkens weer een geheime bewondering in mij opwekte, en toch was er niets bijzonders in het doen en laten deze stille, hoogst beschaafde vrouw; integendeel, alles scheen zo eenvoudig, zo natuurlijk, dat men zich verbeeldde, niet anders te kunnen zijn dan zij, niet anders te kunnen handelen en spreken. Dat was dan ook wel in haar het voortreffelijke, dat er nergens een gebrek in haar te bespeuren was, dat alles juist zo was als het zijn moest en men er geen verandering in zou gewenscht hebben. Toen echter kon ik er mij nog geen rekenschap van geven, waarin dat bestond; thans weet ik het: het was de goede opvoeding, welke zij genoten had en die uit al haar handelingen zo duidelijk sprak.
 
Uw browser ondersteunt HTML 5 Canvas niet.
volgende tekst
volgende les
Taak Terug om te testen
andriessen-pieter-tusschen-mal-en-dwaas-nl
advertentie
Beginnen met typen!
diagram verbergen