huidige doel
(woorden per minuuttekens / min.)
0
WPM
niveau
het hoogst behaalde doel
0
WPM
statistieken van vandaag
voltooide oefeningen
0
getypte tekens getypte woorden
0
tijd van oefenen
0
15m
25m
45m
1h
algemene statistieken
voltooide oefeningen
0
getypte tekens getypte woorden
0
tijd van oefenen
0
*nauwkeurigheid ≥ 90%
accuraat
(< 90%)
woorden per minuut
(doel)

Typen oefening: "Noorsche Volksvertellingen" Peter Christen Asbjørnsen

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Volledige oefentekst

Typen oefening: "Noorsche Volksvertellingen" Peter Christen Asbjørnsen

sluit en begin met typen
Wanneer 't mij in de wereld tegen loopt, en ik kan niet klagen dat dit te zelden gebeurt, heb ik er mij steeds wel bij bevonden, een zwerftochtje te ondernemen tot verlichting van mijn vrachtje bekommernis en tegenspoed. Wat mij op zekeren tijd in den weg stond, herinner ik me niet meer; maar 't staat me nog duidelijk voor den geest, hoe ik voor eenige jaren, op een' zomermiddag met de hengelose in de hand, over de velden zwierf langs den westelijken oever van den Aker Self. De frissche lucht, de geur van 't hooi en de bloemen, 't genot der beweging, het gekweel der vogels en het frisse windje langs de rivier, alles bracht mij in eene opgewekte stemming. Toen ik de brug bij Oset over was, begon de zon ter kim te neigen: nu eens kleurde zij de avond wolkjes met haar' schoonsten gloed, alsof ze wou, dat deze zich zouden verlustigen in den geleenden tooi, wanneer zij zich spiegelden in de klare golven van het meer; dan weer brak zij door de wolken heen en zond een' stroom van licht uit, die gulden plekken schiep in de donkere bosschen aan de overzijde. De avondwind voerde na den warmen dag een' verfrissende geur uit de dennenbossen met zich en de ver weerklinkende, langzaam wegstervende tonen van den koekoek stemden den geest weemoedig. Werktuiglijk volgde mijn oog het aas, dat ik ontwierp en dat de stroom der rivier meevoerde. Zie, daar sprong een glinsterende visch; snorrend vloog het snoer van den hengel, en toen ik dezen stevig vasthield, boog hij zich als een hoepel: 't moest een forel zijn van de grootste soort. Nu was 't geen tijd meer om te dwepen met dennengeur en koekoekslied; 'k had al mijne tegenwoordigheid van geest hoog noodig om den visch aan land te brengen, want de stroom was snel en 't beest spartelde geweldig. Driemaal moest ik 't snoer op- en opwinden, voor 't mij gelukte mijn' buit met den stroom mede naar een' kleine inham te krijgen, waar hij gelukkig aan land werd gebracht en een fraaie purper-gevlekte visch bleek te zijn van de verwachte grootte. Ik bleef nog eenigen tijd visschen langs den westelijken oever der rivier, maar slechts jonge forellen hapten naar mijn aas en mijne gansche vangst bedroeg niet meer dan een tiental visschen. Toen ik bij den houtzaagmolen kwam, was de lucht geheel bewolkt. 't Was reeds tamelijk duister en slechts aan den noordwestelijken rand des horizons bespeurde men nog eene groene strook, die een' zwakken lichtglans wierp op de stille vlakte van den vijver. Ik sprong op het vlot des vijvers en wierp op nieuw uit, maar mijne vangst bleef luttel. 't Was bladstil, de wind scheen ter ruste gegaan en slechts mijn aas deed het heldere water rimpelen. Een opgeschoten knaap, die achter mij op den heuvel stond, ried mij, eene heele tros wormen aan den angel te hechten en daarmee stootsgewijs over de oppervlakte van 't water te slepen, en bood aan voor 't noodige aas te zorgen. Ik volgde zijn' raad, en de proef gelukte boven verwachting, want een forel van een paar marken beet weldra aan den haak en werd niet zonder moeite op den ongemakkelijke oever gebracht. Maar hiermee was 't ook uit; geen enkele beet werd meer bespeurd, geen enkele visch schoot door den stillen vijver; slechts de vleermuizen, die snorrend rondfladderden, brachten nu en dan, wanneer zij op insecten neergeschoten, trillende kringen op de blanke vlakte te voorschijn. Voor mij lag de molen, van binnen duidelijk zichtbaar door 't vlammend haardvuur. Hij was in vollen gang; toch scheen het, of 't rad met zijne schoepen en staken niet door den wil of de hand van een' mensch werd bestuurd en geleid, maar of 't ten speelbal strekte voor de luimen van een' onzichtbaren molen- of stroom geest. Maar ja, ten laatste vertoonden zich ook menschelijke gedaanten. Hier sloeg er een met een grote haak naar een balk, die in den molen moest gebracht worden en zette de geheele vlakte in golvende beweging; een ander kwam voorzichtig met eene bijl in de hand naar buiten om een balk te effenen of de buitenste planken in den vijver te werpen, die krakend in de diepte storten. Alles suisde en bruiste, knarste en kraakte, en nu en dan werd ook buiten den molen - als een reuzen zwaard in kamp met de geesten des nachts - eene blinkende zaag in beweging gebracht om de noesten en oneffen uiteinden der balken af te zagen. Uit het noorden kwam met den stroom der rivier eene kille vlaag, die mij deed voelen, dat ik nat en vermoeid was, en ik besloot daarom naar binnen te gaan en eene poos uit te rusten aan den haard van den molenaar. Ik riep den knaap, die nog aan den oever stond en verzocht hem de viskorf te brengen, die ik had neergezet, en mij te volgen over 't vlot, welks gladde balken in 't water schommelen en bij elken stap, dien ik deed, onderdoken. Bij den eenen haard in den molen zat een oud man met een grijzen baard; eene roode muts had hij tot over de oren getrokken. De schaduw van den schoorsteen had mij in 't eerst belet hem te zien. Toen hij hoorde, dat ik een ommezien wenschte uit te rusten en mij te warmen, maakte hij schielijk van een knoestig stuk hout eene zitplaats bij 't vuur. Dat is een kostelijke visch, zei de oude, terwijl hij de laatste forel, die ik had gevangen in de hand nam, en dat is een haak visch; die weegt stellig anderhalf pond. Gij hebt hem vast in den vijver hier gevangen? Op mijn bevestigend antwoord begon de man, een aarts liefhebber van visschen naar 't scheen, te verhalen van de grote forellen, die hij dertig jaar geleden in den omtrek had gevangen, en slaakte daarbij - niet minder dan Sir Humphry Davy in zijne Salmonia - de hartroerende klachten over 't afnemen der visch en 't toenemen van het zaagsel in de rivieren. De visch gaat weg, zei hij met eene stem, die boven al 't gedruisch uit klonk; 't gebeurt nu zelden dat men zulk eene goud haak als deze vangt, maar 't zaagsel neemt van jaar tot jaar toe. 't Is dan ook geen wonder, dat de visschen de rivier verlaten, want doen zij de kieuwen open om eene teug zuiver water naar binnen te halen, dan krijgen ze den heelen kop vol zaagsel en splinters. Dat vervloekte zaagsel! - God vergeve me de zonde - de zaag geeft ons brood, mij en mijn gezin; maar ik ben mijzelf niet langer meester, als ik denk aan de prachtige visschen, die ik voor jaren heb gevangen.
 
Uw browser ondersteunt HTML 5 Canvas niet.
volgende tekst
volgende les
Taak Terug om te testen
asbjornsen-peter-noorsche-volksvertellingen-nl
advertentie
Beginnen met typen!
diagram verbergen