De type-instellingen konden niet worden vernieuwd. Laad de pagina opnieuw om het nog eens te proberen.
Typoefening: "Het Verloren Tooverland" Jenny Blicher-Clausen
nauwkeurigheid: —
nauwkeurigheid:woorden/min.: —
De regels voor het berekenen van de nauwkeurigheid zijn gewijzigd. Deze oefening begint opnieuw vanaf het begin.
Het opslaan van je voltooide sessie kon niet worden bevestigd. Probeer opnieuw op te slaan zonder de tekst opnieuw te typen.
Typoefening: "Het Verloren Tooverland" Jenny Blicher-Clausen
Met lichte, kleine, haastige passen kwam zij naar Vesterbro aangedanst. Neen, eigenlijk liep zij, maar zo licht trad zij over de bevroren sneeuw, dat het was alsof zij danste. Haar schaatsen hingen los over haar ronden arm en zongen, al bungelend, een kletterende wals, als hadden zij den laatsten tocht op de meren daarginds nog niet vergeten.
Er was iets aantrekkelijks in haar fris, jong aangezicht en in het gekletter van haar schaatsen, zodat een ieder haar aan- en nog eens nakeek. Het was alsof zij, waar zij ging, vreugde om zich heen verspreidde.
Het roodbruine haar hing in dartele, kleine krulletjes over haar voorhoofd en schitterde als goud in de zon. Haar bonten muts stond achter op haar hoofd, halverwege over de dikke haarvlechten, die tot een zwaren knoop in haar nek waren samengebonden. Haar mond was half geopend, als kon die, gesloten, niet genoeg van de schitterende zonnelucht naar binnen krijgen. Klaar en open was het voorhoofd, groot en wakker waren de ogen.
Met een geheimzinnig glimlachje dacht zij aan hetgeen de jonge toneelspeler haar toegefluisterd had, toen hij haar hielp met het afdoen van haar schaatsen, nadat zij met hem op het meer gereden had. Vol jeugdige geestdrift herdacht zij ieder woord, dat hij gezegd had; ongekunsteld gaf zij toe aan haar gevoel, hetgeen haar juist zozeer verschillen deed van de meeste behaagzieke, alles behalve naïeve jonge meisjes, die men iederen dag op straat ontmoet.
Zij was nu het plein voor het stadhuis genaderd en zou verder de stad ingaan, toen zij plotseling van mening veranderde en de Studiestræde insloeg. Daar ging zij een van de eerste poorten in en belde aan bij oom Frans.
Oom Frans, een oom van vaderszijde, was leraar aan het gymnasium. Oom Frans en zij waren altijd de beste vrienden geweest. Zij bekommerde zich niet om vroegere schoolkennissen, wist niet waar zij gebleven waren of wat zij uitvoerden, zij had aan niemand behoefte, want zij had immers oom Frans.
Oom Frans was slechts vijfendertig jaar oud, maar zijn dik, zwart haar, dat evenals het hare golfde, begon bij de slapen al wat grijs te worden. Vroeg grijs worden lag in de familie. De vorm van het hoofd, de gebogen neus, de houding en de gang, hadden veel van de hare, doch de duidelijke, vaste trekken, die den mond karakteriseerden, waren bij haar nog vaag en zwak - als het ware onaf.
Toen zij aan zijn deur gekomen was, belde zij niet aan zoals andere mensen dat doen. Haar bellen bestond in drie korte slagen met haar schaatsen tegen de voordeur, die dadelijk er op werd opengedaan.