huidige doel
(woorden per minuuttekens / min.)
0
WPM
niveau
het hoogst behaalde doel
0
WPM
statistieken van vandaag
voltooide oefeningen
0
getypte tekens getypte woorden
0
tijd van oefenen
0
15m
25m
45m
1h
algemene statistieken
voltooide oefeningen
0
getypte tekens getypte woorden
0
tijd van oefenen
0
*nauwkeurigheid ≥ 90%
accuraat
(< 90%)
woorden per minuut
(doel)

Typen oefening: "De afstamming van den mensch" J. Boeke

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Volledige oefentekst

Typen oefening: "De afstamming van den mensch" J. Boeke

sluit en begin met typen
Wanneer wij de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons rekenschap geven van hetgeen hare verschillende elementen, hare bergreeksen, rivieren en bergmeren, hare lage landen, hare wouden, zandvlakten, zeeën, koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt zich voor ons een beeld van immer wisselende verandering, van worden en vergaan, van ontplooiing, van evolutie, een beeld dat ons met diep ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze veranderingen tot stand brengen en beheersen. Wij zien, hoe berg reeksen zich verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de door afkoeling kleiner wordende kern, hoe ten gevolge van plaatselijke langzame daling van den bodem geheele landstreken weder door water worden bedekt, hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen schuivende gletsjers worden afgeslepen, hoe diepe dalen door de waterstroomen allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders als langzaam verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet. Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over een bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken, en die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond tredende veranderingen in bepaalde tijdperken, perioden, pleegt te verdelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren- en plantenwereld hand in hand. En zo kan men ook in de wereld der levende wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij in elk dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter van de flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt. Zeer in het kort kan men dezen geheelen ontwikkelingsgang als volgt schetsen: nadat de aarde door langzame afkoeling een vaste harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd, nadat na verdere geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water had gevormd en dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven mogelijk was, ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van planten- en dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat het leven bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar men ziet, dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste perioden hunne sporen in verstuikingen hebben achtergelaten, uiterst kleine eencellige organismen zijn. Hoe deze eerste levende wezens zijn ontstaan, is ons, dit zij hier terloops opgemerkt, nog volkomen een raadsel, en het zal dit wel altijd voor ons blijven. Waar het levensbeginsel zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke drang in de natuur, die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten, tot aanpassen, tot strijden, tot instandhouding en volmaken van de soort dwingt, voor ons steeds ondoorgrondelijk zal blijven, waar dit buiten het bereik der wetenschap ligt, daar zal de vraag, hoe, op welke wijze dat leven ontstaan is, eveneens een niet op te lossen raadsel blijven, waartegenover wij machteloos staan. Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal gevormde organismen, zo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen herkennen, en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende wezens zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in daaropvolgende perioden der aarde ontwikkeling hebben voorgedaan. En zijn zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct in een aantal vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering, doch tevens, naarmate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer hoe volkomen vorm, in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en veelzijdige ontwikkeling, steeds meer doelmatig en beter toegerust voor den strijd om het bestaan, zich vertonen. En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig voortgaande afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde steeds haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit die verschillende perioden, en zo algemeen, zo overal wederkerend is dit verschijnsel, zo zeker vinden wij altijd de overblijfselen van dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten van een bepaalde, dezelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist de aanwezigheid van bepaalde verstuikingen, de zoogenaamde gidsfossielen in de een of andere aardlaag of in een of ander gesteente gebruiken om daaruit den vermoedelijken ouderdom van die aardlaag of gesteenten te kunnen berekenen. In die aardlagen, die tot harden steen samengeperste massa's, zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten steeds hooger georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden, naarmate jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen der azische periode, waarin wij nog geen met zekerheid als zoodanig herkenbare sporen van levende wezens kunnen aantonen - al is het ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde, zowel in het water als in de toen bestaande, uit de sedimentaire afzettingen dier perioden herkenbare landformaties bestond - volgen in langzamen overgang de oudste lagen der paleozoïsche periode, zooals in de eerste plaats het cambrium met zijne overblijfselen van laag georganiseerde ongewervelde dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in grote vorm verscheidenheid optredende maar over het algemeen nog slechts tot een geringen graad van ontwikkeling gekomen waterbewoners en ongewervelde landdieren, dan het silurium met de eerste sporen van visschen (van hooger georganiseerde ongewervelde waterdieren dus) en zijne reeds door tot verschillende groepen behoorende ongewervelde landdieren gekenmerkte uitgebreide vasteland formaties, en het steenkooltijdperk met zijn verdere veenvorming, zijn uiterst weelderige plantengroei, uit welk tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis afleggen van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zo van dieren als planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het warme, tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling over de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkool beddingen met overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het steenkolen tijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtigen planten, de vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het palaeozoïcum. Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur lager, het klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en meer voor groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting hieraan ook weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het palaeozoïcum onderscheiden wij de tweede periode, het mesozoicum, de middeleeuwen van de ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met de vorming der grote vastelanden, zien we de land fauna vooral zich sterk ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren, laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen deze periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldbomen, sagopalmen enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de reptielen, de hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden in de reusachtige vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder wel uit afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende musea kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen de aarde bevolkten, zien wij in de tweede raadsperiode de eerste sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij, in nog sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen.
 
Uw browser ondersteunt HTML 5 Canvas niet.
volgende tekst
volgende les
Taak Terug om te testen
boeke-j-de-afstamming-van-den-mensch-nl
advertentie
Beginnen met typen!
diagram verbergen